Bodem van IJmeer vrij van vliegas

Tussen de Diemerzeedijk en de nieuwe wijk IJburg in Amsterdam heeft de gemeente Amsterdam vorig jaar een waterbodemsanering uitgevoerd. De sanering bestond voornamelijk uit het afvoeren van met vlie...

Kruimelpad

5 september 2010
Kantoor IBA

Bodem van IJmeer vrij van vliegas

Tussen de Diemerzeedijk en de nieuwe wijk IJburg in Amsterdam heeft de gemeente Amsterdam vorig jaar een waterbodemsanering uitgevoerd. De sanering bestond voornamelijk uit het afvoeren van met vliegas verontreinigde baggerspecie.

Voor de aanleg van de nieuwe wijk IJburg in het IJmeer was het noodzakelijk om de nabijgelegen ernstig verontreinigde stortplaats Diemerzeedijk te saneren, in casu te isoleren. Minder bekend is dat ook een sanering nodig was van een waterbodemverontreiniging in het IJmeer zelf, waar in de jaren vijftig zo’n 170.000 m3 vliegas, fijn materaal dat wordt afgevangen bij verbrandingsprocessen, was geborgen.

In het kader van de planvorming voor IJburg is de vliegasberging al vanaf 1994 onderzocht. Het materiaal in het inmiddels zo geheten vliegaslichaam werd als klasse 3 en 4 gekwalificeerd (vooral door hoge concentraties kwik, koper en nikkel) in een gebied van circa 11 hectare: 4 hectare boven 7 hectare onder water.

Er was sprake van ecologische risico’s; humane risico’s (afhankelijk van het aantal zwembewegingen ter plekke) waren er niet. In oktober 1999 heeft Rijkswaterstaat als bevoegd gezag van de buitendijks gelegen waterbodem een urgentiebeschikking afgegeven. Het gebied gold als ernstig verontreinigd vanwege actuele ecologische en verspreidingsrisico’s.

In het saneringsonderzoek zijn drie saneringsvarianten beschreven: verwijdering van verontreinigd materiaal tot het achtergrondniveau (klasse 2), isolatie van de waterbodem en een tussenvariant.

Om het gebied schoon, zonder hypotheek op de toekomst, over te kunnen dragen hebben Rijkswaterstaat en Amsterdam gezamenlijk besloten om zich in te spannen voor uitvoering van de verwijderingsvariant. Belangrijk element in dit besluit was de toezegging van Rijkswaterstaat IJsselmeergebied om de vliegas te bergen in het in 1999 opgeleverde baggerspeciedepot IJsseloog in het Ketelmeer. Dit maakte de financiering van de relatief dure verwijderingsvariant mogelijk.

Een door Rijkswaterstaat uitgevoerde studie naar de verwerkingsmogelijkheden van het vrijkomende vliegasmateriaal gaf nog teveel onzekerheden over samenstelling en vochtgehalte van het materiaal. Deze onzekerheden en onduidelijkheid over de leveringsvoorwaarden en de afzet van het product leidden tot het besluit om af te zien van verwerking.

Saneringsplan

De saneerder heeft de verwijderingsvariant in 2001 uitgewerkt in een saneringsplan, dat uitging van verwijdering van de vliegas tot dieptes van 0,5 tot 2,0 meter onder de waterbodem. De uitwerking bracht twee knelpunten aan het licht.

Het beschermingstalud van de gesaneerde Diemerzeedijk strekte zich uit tot over de rand van het vliegaslichaam. Verder zou het ontgraven van de vliegas zonder aanvullende maatregelen tot instabiliteit van de Diemerzeedijk kunnen leiden.

Voor het talud werd een isolatievariant ontworpen en in het saneringsplan opgenomen. In overleg met de dijkbeheerder werden de ontgravingsvakken langs de Diemerzeedijk kleiner gemaakt en binnen 48 uur na ontgraving aangevuld met elders op IJburg vrijkomend slib en zand; hiermee werd een steunberm voor de Diemerzeedijk gemaakt. De werkzaamheden zouden plaatsvinden buiten het stormseizoen, dus tussen 1 april en 1 oktober.

Vergunningen

De saneerder doorliep verschillende vergunningprocedures om het saneringsplan tot uitvoering te brengen. Allereerst gaf Rijkswaterstaat in december 2001 een beschikking Wbb (Wet bodembescherming) af. Daarmee kon het werk in 2002 beginnen. Maar met ingang van 1 januari 2002 was baggerspecie in de Wet Belasting op Milieugrondslag (WBM) opgenomen. Dit betekende dat er een verklaring van het Service Centrum Grondreiniging (SCG) nodig was om vrij van belasting te kunnen storten in het depot IJsseloog. De door SCG afgegeven verklaring was tweeledig: een verklaring over de sta tus van het materiaal – afval of baggerspecie – en een verklaring dat de baggerspecie niet reinigbaar was. Op basis van de historie en de onderzoekgegevens concludeerde het SCG dat er sprake was van een afvalproduct (vliegas) en niet van baggerspecie. Deze uitspraak was strijdig met de reeds ontvangen beschikking op grond van de Wet bodembescherming, waarin sprake was van het verwijderen van verontreinigde baggerspecie uit de waterbodem.

Een langdurige beroepsprocedure tegen dit besluit van het SCG was het gevolg, waarbij het met name ging om de definitie van baggerspecie. De gemeente Amsterdam heeft daarbij, met ondersteuning van Rijkswaterstaat en aanvullende onderzoeksgegevens, kunnen aantonen dat het grootste deel van de vliegas onderdeel was geworden van de waterbodem. In juli 2002 heeft SCG een nieuwe verklaring uitgegeven waarin het 80 procent van het materiaal als niet-reinigbare baggerspecie kwalificeerde en 20 procent als een afvalstof, waarover belasting betaald moet worden. Het storten van de baggerspecie zou met deze verklaringen verder geregeld worden in de stortovereenkomst met het depot IJsseloog.

De hoogte van het tarief van de afvalstoffenheffing was het volgende knelpunt. Het tarief is geregeld in de WBM en is onder meer afhankelijk van het volumegewicht van het aangeboden materiaal. Volumegewichten onder 1100 kg/m3 vallen in het hoge tarief, anders geldt het lage tarief. In dit geval was sprake van een verschil van ongeveer 65 euro per ton, ofwel een totaalbedrag van 1,5 miljoen euro.

Bij het hoge tarief zou de waterbodemsanering onbetaalbaar worden. Door aanvullende onderzoeken in situ naar het volumegewicht en door constructief overleg met de depotbeheerder en de Belastingdienst is overeenstemming bereikt over het toepassen van het lage tarief voor 20 procent van het materiaal. De te bergen baggerspecie en afvalstof is als één partij beschouwd met een volumegewicht van meer dan 1100 kg/m3. Na afloop van de sanering bleek uit de weeg- en meetstaten van de vrachten op het depot IJsseloog dat dit overeenkomstig de werkelijkheid was: het volumegewicht van de specie inclusief het vliegasmateriaal was 1350 kg/m3.

Ter bescherming van de ringslangen, kikkers, egels en vogels in het gebied was een ontheffing op de Flora- en Faunawet nodig. De ontheffing bepaalde dat het gebied in de winter zo kaal en onaantrekkelijk mogelijk moest zijn. De werkzaamheden zouden buiten het broedseizoen plaatsvinden en buiten de maanden waarin de ringslang de dijk als doorgangsgebied benut; dit alles gebeurde in nauwe samenwerking met een ecoloog. Met de eis van de dijkbeheerder om niet in het stormseizoen langs de dijk te werken, werd de uitvoering hiermee beperkt tot drie maanden, een bijna onmogelijke termijn voor een dergelijke waterbodemsanering.

Uitvoering

Voorafgaand aan de uitvoering is er nog onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest en radioactiviteit in het vliegasmateriaal. De gemeten waarde van radioactiviteit lag ruim onder de norm; op één beperkte plaats bevond zich een asbestverontreiniging, die is verwijderd met aanvullende veiligheidsmaatregelen aan het materieel en beschermingsmiddelen voor het personeel. Op depot IJsseloog, waar de specie met een bakkenzuiger werd gelost, waren voorzieningen aan de zuiger nodig om te voorkomen dat de asbestdeeltjes zich via de lucht verspreidden.

Na de overeenstemming over de inhoud van de stortovereenkomst is het werk in april 2003 aanbesteed en in mei 2003 opgedragen aan de Combinatie De Boer/De Klerk uit Sliedrecht.

In juni 2003 startte de daadwerkelijke sanering. Door de ondieptes van het IJmeer werd een smalle vaargeul naar de saneringslocatie gebaggerd. Meteen werd duidelijk waarom vliegas toegepast kan worden in de cementindustrie. De milieuknijpers haalden vliegas boven water dat door de hydraterende eigenschappen scholvormig was. Een locatie waar de dikte van de vliegas groter was dan verwac h t, toonde aan dat het historisch onderzoek onvolledig was geweest en dat de omvang van het vliegaslichaam groter was dan verwacht. Uiteindelijk is er 145.000 m3 vliegashoudende baggerspecie afgevoerd naar depot IJsseloog.

De scholvorming van het vliegasmateriaal heeft de productie fors verminderd, waardoor de uitvoeringstermijn een aantal maanden langer werd. Door prioriteit te geven aan het ontgraven van de vakken langs de Diemerzeedijk was het mogelijk te voldoen aan de eis om dit deel voor de start van het stormseizoen op te leveren.

Na keuring van alle ontgravingsvakken was het resultaat dat de waterbodem, conform de doelstelling van de sanering, is teruggebracht tot de achtergrondwaarde klasse 2 en op de meeste plaatsen tot klasse 0, schone waterbodem.

Auteurs: Ing. H.J. Monen, drs.ing. A. Bakker en D.J. van ’t Zet

Verschenen in : Land + Water, nr. 4, april 2005, pp. 28-29

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

Alfred Bakker
t: 020 251 1283
e: abakker@iba.amsterdam.nl